Kattengenetica

Kattengenetica

Dit stukje zou moeten helpen met de vraag “welke kleur heeft mijn kat of kunnen mijn kittens hebben?”

Het bespreekt een beetje de kleurterminologie en hoe kleuren en patronen samenwerken.

Er zijn zeer veel mogelijke kleuren en patronen te vinden bij de kat, en dezelfde kleur kan bij verschillende rassen heel anders heten. Dit stukje heeft geenszins de pretentie volledig te zijn.

Eerst een droog stuk genetica……

Enkele basisbegrippen

Elke eigenschap van elk levend wezen wordt bepaald door een “handleiding”. Deze handleiding zit op microscopisch kleine sliertjes, chromosomen, die in elke cel voorkomen. Zo worden ook de kleuren en patronen van onze kat bepaald door de informatie aanwezig op de chromosomen.

De handleiding komt dubbel. (Bijna) elke eigenschap wordt 2 keer beschreven. Daarom spreken we ook van chromosoomparen. De kat heeft 19 paar chromosomen (38 in totaal dus). Zoals u op de tekening hierboven kan merken, lijken de chromosomen op een X. Er is 1 chromosoompaar dat 1 beentje mist, zodat het eruit ziet als een Y. Een kat met een Y chromosoom is een kater en mist enkele genen die op het ontbrekende half stukje chromosoom zitten. Daar zit o.a. het gen voor rood, waardoor Tortie katers (eigenlijk) niet kunnen voorkomen.

Alle hoofdstukken (de genen) van beide handleidingen zitten op precies dezelfde plaats (locus). Daarom is het b.v onmogelijk een resultaat te bekomen van een kruising tussen een hond en een kat: de genen zitten verkeerd en de hond heeft 39 paar chromosomen, de stukjes passen dus niet in elkaar. Sommige wilde grote katten hebben 18 paar chromosomen, waardoor kruisingen ook onmogelijk zijn.

Het DNA zijn de bouwstenen (de letters) van de genen.

Het is mogelijk dat 2 hoofdstukken (genen) over dezelfde eigenschap verschillende informatie bevatten. Zo kan er in het ene gen beschreven staan dat de kat strepen heeft, en in het andere gen dat de kat geen strepen heeft. Beide genen gaan wel over de strepen. Sommige genen hebben voorrang op andere genen, en in het geval van strepen / geen strepen zal het gen voor strepen voorrang krijgen. We noemen de genen die overheersen Dominanten wordt geschreven als een hoofdletter

Om strepen te krijgen is het dus voldoende dan 1 van beide genen zegt dat de kat strepen zal hebben. Om een effen, streeploze kat te krijgen, dienen beide genen te vermelden dat de kat geen strepen zal hebben. Onderdrukte genen (recessief) en wordt als kleine letter geschreven. komen dus pas tot uiting als ze 2 keer aanwezig zijn.

De kleuren worden dan wel voor de eenvoud bepaald door “1 gen”, in feite zijn het een heleboel genen die samenwerken. Hierdoor zullen we niet alleen “zwarte” en “witte” katten zien, maar ook alle grijsschakeringen daartussen.

Bij de voortplanting wordt de dubbele handleiding netjes in 2 gedeeld, zowel bij de poes als bij de kater heet (Meiose). Bij de bevruchting wordt een halve handleiding van de poes gecombineerd met een halve handleiding van de kater.
We duiden de eigenschap Strepen aan met A (hoofdletter), en de eigenschap Geen Strepen met a (kleine letter). A komt van Agouti.

Een voorbeeld:

Zowel de poes als de kater hebben strepen (A), maar dragen ook de eigenschap voor geen strepen (a).

De poes heeft dus het genkoppel Aa en de kater heeft hetzelfde genkoppel Aa. We noemen de poes met strepen fenotype (het uitzicht van de kat) en Aa noemen we genotype (samenstelling van de genen).

Bij het vormen van geslachtscellen (eicellen en spermacellen)(ook wel gameten genoemd) worden de genkoppels uit elkaar getrokken.

Er zijn dus eicelletjes met de eigenschap A (strepen) en eicelletjes met de eigenschap a (geen strepen). Ook zijn er spermacellen onderweg die A bevatten en spermacellen die a bevatten. Er zijn nu 4 mogelijkheden:

1. Spermacel A bevrucht eicel A

2. Spermacel A bevrucht eicel a

3. Spermacel a bevrucht eicel A

4. Spermacel a bevrucht eicel a

De eigenschappen worden nu gecombineerd en we krijgen:

1. AA –> het kleintje zal strepen hebben

2. Aa –> het kleintje zal strepen hebben (A is dominant t.o.v. a)

3. aA –> het kleintje zal strepen hebben (de schrijfwijze is echter Aa, eerst de hoofdletters)

4. aa –> het kleintje zal geen strepen hebben.

We zien dus 1 kitten op 4 dat geen strepen heeft (aa) en 3 kittens die wel strepen hebben (2 keer Aa en 1 AA).

Dit is wel theoretisch daar welke spermacel welke eicel bevrucht afhangt van het toeval.

1 kitten (AA) zal de eigenschap Geen Strepen niet doorgeven, 2 kittens (Aa) doen dit wel.

Aangezien niet aan de kat te zien is of ze AA of Aa zijn (beide zijn katten met strepen), zal dit pas bekend worden als er ooit effen katten uit een combinatie met deze kat komen.

Van 3 kittens kennen we dus eigenlijk het genotype niet. AA en Aa zien er immers hetzelfde uit (strepen). Daarom wordt zo’n kat, tot bekend is of ze Geen Strepen (a) draagt, aangeduidt als een A- kat, waarbij het streepje A of a kan zijn.

De eigenschap Strepen of Geen Strepen is volledig dominant. Sommige genen zijn niet volledig dominant en zullen tussenschakeringen vertonen van de verschillende genen.

Het gen A bepaalt of de kat wel of geen tabbytekening heeft. Welke tekening wordt bepaald door het T-gen (zie verder).

Diagrammen

Uiteraard heeft onze kat een hele resem aan mogelijke kleuren en patronen, en zullen ook de berekeningen voor de eventuele resultaten van een kruising complexer worden. Om tot overzichtelijke resultaten te komen zullen we gebruik moeten maken van diagrammen (Punnett diagram).

We nemen als voorbeeld een Blue Tabby poes gekruist met een Black Tabby kater.

We weten van beide katten dat ze het gen voor geen strepen (a) dragen, en van de kater dat hij het gen voor blauw draagt (d). Later volgt de uitleg over de genen, o.a. ook over het D gen. Even aannemen dat D- (DD of Dd) staat voor zwart en dd voor blauw.
Het genotype van de poes is Aa dd, het genotype van de kater is Aa Dd.

Bij de poes worden volgende eicellen aangemaakt:

Ad, ad, Ad en ad. We kunnen hier vereenvoudigen en homozygote (2 keer hetzelfde gen, in dit geval dd) eigenschappen slechts 1 keer weergeven (2 verschillende genen – b.v. Dd – noemen we heterozygoot):

Ad en ad.

Bij de kater worden volgende spermacellen aangemaakt:

AD, Ad, aD en ad.

We maken nu een diagram met bovenaan de mogelijke cellen van de kater en links de cellen van de poes:

Vervolgens combineren we de A’s van de bovenste rij met de A’s van links en hetzelfde met de D’s:


De kittens op de bovenste rij van links naar rechts (in blauw):

AA Dd is een Black Tabby, drager van blauw (d)

AA dd is een Blue Tabby

Aa Dd is een Black Tabby, drager van geen strepen (a) en blauw (d)

Aa dd is een Blue Tabby, drager van a

De onderste rij:

Aa Dd is een Black Tabby, drager van a en d

Aa dd is een Blue Tabby, drager van a

aa Dd is een effen Black, drager van d

aa dd is een effen Blue

Samengevat van de 8 mogelijkheden:

Black Tabby: 3 stuks

Blue Tabby: 3 stuks

Black: 1 kitten

Blue: 1 kitten

Omgekeerd kan dit ook werken. We nemen dezelfde combinatie, maar weten niets van de recessieve genen.

De poes is dus A- dd (Blue Tabby) en de kater A- D- (Black Tabby).

(van boven links naar onder rechts)

AA Dd is een Black Tabby kitten

A- d- is een Tabby, en is Black als het streepje D is en Blue als het streepje d is

A- D- is een Black Tabby

A- d- is een Tabby, en is Black als het streepje D is en Blue als het streepje d is

A- Dd is een Black Tabby

A- d- is een Tabby, en is Black als het streepje D is en Blue als het streepje d is

— Dd is een Black, en is Tabby als 1 streepje A is, en effen als beide streepjes aa zijn

— d- is een Black als het streepje bij d D is, en Blue als het streepje d is. Het is een Tabby als 1 streepje A is en effen als beide streepjes aa zijn.

Bij de Black Tabby kittens kunnen we niets besluiten.

Als er 1 Blue Tabby kitten geboren wordt, dan is het 1 van de A- d- kittens en weten we dat de kater 1 gen voor d moet dragen. 1 d komt immers zeker van de poes, en om een blauw kitten te hebben, moet het gen d 2 keer voorkomen. 1 d van moeder en 1 d van vader.

Als er 1 effen (Black of Blue) kitten geboren wordt, dan zijn de 2 streepjes van de 2 laatste kittens a’s, en dit betekent dat zowel van de poes 1 a gekomen is en van de kater 1 a gekomen is.

Zo kunnen we via de nestjes het genotype van de ouders proberen samen te stellen.

Kleurgenetica

Waarom zou genetica belangrijk zijn om de kleur van een kat te bepalen? Wel, als je het mechanisme achter de kleurvorming en eventueel de vererving ervan doorhebt, is het best mogelijk dat een aantal zaken duidelijk worden. Voor wie hier “genetische manipulatie” hoort rinkelen kunnen we geruststellen: we gaan hier alleen beschouwen hoe kleuren en patronen bepaald worden door genetica, en we gaan hier niet bij ingrijpen. We kunnen wel met genetica rekening houden om een kleur of patroon te doen opduiken bij onze kittens, of juist niet.

De Genen

De kleur van de vacht wordt bepaald door microscopisch kleine kleurgranulen die de haarschacht vullen.

De basisgranule heet melanine en geeft het haar onder normale omstandigheden een donkere kleur (zwart).

Agouti (A)

Het eerste gen dat we beschouwen is gen welk verantwoordelijk is voor het al dan niet voorkomen van strepen op de kat.

Het tabbypatroon bestaat uit donkere (melanine) strepen op een gelig/bruine-grijze ondergrond. Deze ondergrondkleur zien we bij zeer veel dieren en wordt Agouti genoemd, naar een gelijknamig knaagdier. De haarschachten zijn niet volledig zwart gekleurd maar vertonen gele bandjes. De kat heeft hier nog een tweede mechanisme waardoor de kwaliteit van de gele bandjes sterk achteruitgaat tot helemaal verdwijnt in bepaalde gebieden. Hierdoor onstaan donkere strepen of vlekken bovenop de

Agouti grondkleur.

We onderscheiden Mackerel Tabby, smalle vertikale strepen op de zijkant van de kat. Deze kunnen doorlopen of onderbroken zijn in korte streepjes of vlekjes, vooral naar de buik toe.

Een tweede veel voorkomend tabbypatroon is het Blotched Tabby. Het patroon op de kop is hetzelfde als bij de Mackerel Tabby, maar de gelijkmatige vertikale streepjes op de flank zijn vervangen door bredere banden die spiralen vormen. Over het algemeen zijn de strepen op de poten en de staart ook relatief breder en meer uitgesproken.

Een derde tabbypatroon vinden we bij de Abessijn: Ticked Tabby. Hierbij dienen – raar genoeg – zo weinig mogelijk tabby strepen aanwezig te zijn. Daardoor komt de originele Agouti kleur tevoorschijn. Liefst zien we hier niet de gelig-grijze kleur, maar wel een warme rood-bruine kleur. Als we de haartjes van een (Wildkleur of Ruddy) Abessijn bekijken zien we een zwart haar met verschillende rood-bruine bandjes. De tipjes dienen zwart te zijn.

De genen voor het patroon beschouwen we later (bij de “T”), maar het wel of niet voorkomen van de Agouti ondergrondkleur is afhankelijk van het A-gen.

A (het voorkomen van agouti) is dominant t.o.v. de mutant a. Dit wil zeggen dat AA, Aa (of A-) katten strepen hebben, of beter gezegd een agouti grondkleur. Bij de aa kat ontbreken de gele bandjes op de haren. Het zwarte tabbypatroon (nog steeds aanwezig!) is dus niet meer op de zwarte ondergrond te zien, behalve soms bij kittens of bij een bepaalde lichtinval. Dit noemt Ghost marking (spookpatroon)..[/col2]

Black (B)

Het gen dat zorgt voor de vulling van de haarschacht met donker (zwart) kleurpigment heet B (van Black).

Twee mutanten van dit gen zorgt ervoor het kleurpigment lichter van tint wordt en de haarschacht gevuld wordt met verschillende tinten van bruin. De mutanten heten b (donker bruin) en bl (lichter bruin).

Dense (D)

Een tweede gen dat bepaald hoe de kleur van de kat is, heet D (van Dense – dichtheid). Het gen zorgt ervoor dat de pigmentkorrels dicht opeen en gelijk gespreid zijn in de haarschacht.

De mutant (d) zorgt ervoor dat het pigment niet meer dicht opeen zit, en niet meer gelijk gespreid, maar in klonters bijeen zit.

De zwarte haarschacht wordt hierdoor staalgrijs (Blue) en in combinatie met bb (de chocolate versie) wordt dit lilac of fawn.

Dilute Modifier (Dm)

De Dilute Modifier (dilute = verdunning, modify = aanpassen, wijzigen) is een dominant gen welk samenwerkt met de combinatie dd. Het heeft geen effect op de “donkere” kleuren (D-). Blauw wordt verdunt naar een tint donkerder dan Lilac, wordt iets bruiniger en is bekend als Caramel. Lilac wordt ietsje lichter en is bekend als Taupe. Het Cream is bleker en is bekend als Apricot.

Full Color (C)

Een derde reeks genen welke de kleur van de kat bepalen noemt de Albino reeks. Niet-albino heet C (van full Color). Dit gen heeft geen invloed op de kleur van de kat.

De reeks mutanten zorgen voor een toenemende afname van de kwaliteit van het melanine.

Een eerste mutant is het Burmese gen (cb) zorgt dat het zwarte pigment donker Sepia of Seal wordt. De “points” (neus, oren, staart en poten) hebben een iets donkerder tint dan het lichaam. Dit is duidelijker te zien bij kittens dan bij volwassen dieren. Ook de ogen zijn minder gepigmenteerd dan normaal en worden geel-grijs.

De volgende in de reeks is het Siamese gen (cs). Het donkere sepia is hier beperkt tot de points en het lichaam blijft gebroken wit tot licht sepia. Bij de ogen ontbreekt gedeeltelijk pigment en deze zijn blauw.

Nog een mutant is het ca gen (Albino). Alle pigment ontbreekt, ook op de points, en de ogen zijn (licht)blauw.

Tenslotte het gen c waarbij alle pigment ontbreekt. De vacht is wit en de ogenkleur is roze.

De verkleuring van de points bij de burmees en siamees is temperatuurgebonden: de uiteinden van de kat (oren, snuit, poten en staart) zijn koeler dan de rest van het lichaam. En inderdaad: een siamees die in de koelkast gestopt wordt (niet doen!) wordt donkerder, vooral de schouders en de heupen. Ook bij het wegscheren van vacht komt deze over het algemeen donkerder terug.

De vererving is hier iets complexer:

C- is full Color, niets Siamees aan te zien

De rest is gedeeltelijk dominant in de volgorde cb, cs, c en ca. Dit wil zeggen dat cbcs een kleurpatroon heeft tussen Burmees (cbcb) en Siamees (cscs).

Gloving (g)

De witte aftekening bij o.a. de Heilige Birmaan verschilt met het Piebald Spotting (S) gen, zodat aangenomen wordt dat de sokjes en laarsjes bepaald worden door een recessief gen g.

Inhibitor (I)

Een volgend gen welk het uitzicht van de kat bepaald is de pigmentremmer I (van Inhibitor). Het gen remt de ontwikkeling van pigment in de haarschacht, en dit in een brede waaier. Typisch is een niet gekleurde wortelkant en een gekleurde tip van het haar. Dit varieert van een nauwelijks zichtbare witte wortel tot een volledig kleurloze haarschacht met een gekleurd tipje. Het is inderdaad Silver en de eerste heet Smoke en de laatste Chinchilla.

Wide band (Wb)

Of dit gen bestaat, staat nog niet vast, maar het gen wordt verondersteld de gele banden van Agouti sterk te vergroten. Het haar wordt overwegend gelig-bruin met een zwarte tip en het tabby patroon wordt minder afgetekend. We noemen dit fenomeen Golden vanwege de kleur. Het gen is blijkbaar (onvolledig?) dominant.

Orange (O)

Het gen voor Oranje (O), beter bekend als Red (rood) is een buitenbeentje. Het gen elimineert het melanine (zwart en bruin) en wijzigt dit in fenomelanine, een lichter pigment met andere optische eigenschappen. De haren worden oranje. Het melanine wordt zowel bij agouti als non-agoute gewijzigd, zodat genotypes A- OO en aa OO er hetzelfde uitzien: beide hebben een ietsje donkerder rood tabbypatroon op de rode achtergrondkleur.

Het gen voor rood ligt op het sexchromosoom. Poezen hebben hiervoor X (2 volledige chromosomen) en katers Y.(1 volledig chromosoom en 1 half). Poezen kunnen dus OO, Oo of oo zijn, katers missen het tweede gen en zijn O (rood) of o (niet-rood).

Oo poezen noemen we Tortie. Op sommige aaneensluitende stukken van de kat blijkt het O gen (rood) actief en op andere stukken het o (niet-rood) gen, waardoor we een rood – zwarte lapjeskat krijgen.

Tortie katers – zeldzaam maar toch voorkomend – hebben een afwijking in hun genen en hebben deels vrouwelijke en deels mannelijke cellen. De meeste tortie katers zijn niet vruchtbaar.

In combinatie met het dd gen (blauw) wordt het rood verdund tot Cream en de tortievariant wordt Blue Cream.

Het rood komt in een breed scala van zandgeel tot warm rood.

Piebald Spotting (S)

Witte vlekken op katten komen voor bij elke kleurvarieteit en het gaat dus over een onafhankelijk gen. Het gen blijkt dominant te zijn daar kruisingen tussen niet gevlekte ouders praktisch nooit gevlekte kittens geeft (uitzonderingen zijn mogelijk). Als 1 van de ouders witte vlekken heeft, dan zijn de kittens ook gewoonlijk met wit. Het wit varieert van een zwarte kat met witte pootjes naar witte pootjes en een witte buik naar een volledig witte kat met gekleurde staart(punt) en kleine gekleurde vlekken. Blijkbaar is Ss de eerste groep (overwegend kleur) en SS de tweede groep (overwegend wit).

Witte pootjes wordt ook wel Mitted (gehandschoend) genoemd,

Witte poten, borst en stuk van de snuit is Bicolor of Particolor,

Een gekleurde staart en bovenkant kop oren en enkele vlekken op de rug is Harlequin

Een gekleurde staart en wat kleur op de kop is Van.

Dominant White (W)

De volledig witte kat met koper, blauwe of 1 koper en 1 blauw oog zou zijn kleur danken aan een dominant gen W. Aangezien de ganse vacht wit is, weten we niets van de onderliggende genen. De enige uitzondering zouden blauwe ogen zijn, die duiden op de aanwezigheid van het Siamese gen. Deze lichten rood op bij het nemen van een foto met flits. De (lichter)blauwe ogen van de witte kat zonder Siamees gen, lichten groen op. Sommige witte kittens hebben een donkere kopvlek, maar deze blijkft in zeldzame gevallen zichtbaar bij volwassen dieren.

Doofheid komt bij witte katten opvallend veel voor, en blijkbaar meer bij de blauwe ogen. Huidkanker – door een hogere opname van UV stralen van zonlicht – is ook een verhoogd risico voor witte katten.

Tabby (T)

Het tabbypatroon – indien zichtbaar – wordt bepaald door de T-reeks.

Het mackerel tabby (T-) is de dominantste vorm,

gevolgd door de recessieve tbtb (Blotched).

Het is niet bekend of Spotted tabby een vorm is van Mackerel, waarbij de strepen onderbroken zijn tot spotjes, of dat het veroorzaakt wordt door een apart gen.

Tenslotte is voor het Abessijns of Ticked tabby homozygoot Ta nodig (TaTa dus).

(Probeer bovenstaande poses niet uit met uw kat)

De vacht

Eén van de mooiste eigenschappen van de kat is de vacht. De vacht bestaat normaal uit primaire of dekharen en fijnere onderharen. Een dekhaar groeit vanuit 1 haarzakje terwijl de onderharen in groepjes groeien vanuit een haarzakje. De verhouding dekharen / ondervacht is 1 op 25 op de buik en 1 op 12 op de rug.

De dekharen zijn vrij dik, stug, lopen uit in een punt en vormen een waterafstotende barrière voor de veel dunnere onderharen. Een soort dekharen (awn) zijn dunner dan de normale dekharen, verdikken iets naar de punt toe en eindigen in een fijne punt.

We zien bij de kat ook nog de zeer gevoelige tastharen of vibrissae op de kop en aan de achterkant van de voorpoten.

Katten verharen het hele jaar door, met een seizoensgebonden, sterkere verharing in de late zomer.

Long hair (ll)

De langharige katten danken hun weelderige vacht een recessief gen l. Er is niet geweten of de extra vachtlengte het gevolg is van een langere of van een snellere groei.

Rex

Rex slaat op een zachte, gekrulde vacht. Er is schijnbaar geen bovenvacht, maar toch is deze aanwezig. Het verschil in dikte tussen onder- en bovenvacht is nauwelijks merkbaar. De snorharen zijn korter en krullen. Er zijn verschillende Rex varianten.

Cornish Rex, ontdekt rond 1950, een recessief gen r

Devon Rex, ontdekt rond 1960, een recessief gen re. Kruisingen tussen Cornish en Devon Rexen heeft aangetoont dat het over 2 verschillende mutaties gaat.

German Rex, ontdekt rond 1951. Kruisingen met een Cornish Rex toonden aan dat het over dezelfde mutatie ging.

Oregon Rex, ontdekt rond 1959, een recessief gen ro. Kruisingen van Oregon Rex met zowel Cornish als Devon Rex geeft kittens met een normale vacht, dus een derde mutant.

Selkirk Rex, 1986 – 1987, een dominant gen Se.

Er zijn nog verschillende meldingen van Rex mutaties.

Wire-Hair (Wh)

Een andere krulhaar is gefokt in Amerika en heeft een stugge oneffen vacht. Zowel de dekharen als de onderharen zijn stevig gekruld. Het zou over een dominant gen Wh gaan.

Sphynx (hr)

De “haarloze” Sphynx is niet helemaal haarloos, maar heeft over het algemeen een zeer dunne dons over het lichaam, met mogelijk een iets dikkere vacht op de snuit en/of de staart. Het gaat over een recessief gen, hr.

De Russische mutatie (Donskoy, Don Sphynx, Peterbald (Oosters type)) zou zijn korte velour of bijna haarloze uitzicht te danken hebben aan een dominant gen.

Het lichaam

Net als de kleuren, patronen en vachtstructuur wordt de hele lichaamsbouw van de kat genetisch bepaald. Ook hier gaan we uit van een “standaard” kat en beschouwen we de “afwijkingen” van de standaard lichaamsbouw als mutaties. Sommige van deze mutaties hebben weinig of geen nadelige invloed op de gezondheid van de kat, sommige echter wel.

American Curl (Cu)

Een dominant gen Cu zorgt voor een krulling naar achter toe van de oorschelp. De kittens worden met normale oren geboren en pas na 12 tot 16 weken ontwikkelen ze de krul, welke permanent is. De mate van krullen varieert. Tot hiertoe zijn geen nadelige gevolgen gevonden voor de gezondheid van de kat.

Scottish Fold (Fd)

Onder invloed van een dominant gen Fd plooit (na een 4-tal weken) de oorschelp van de kat naar voor. De heterozygote fold (Fdfd) lijkt verder geen nadelen te ondervinden van zijn gevouwen oortjes, maar de homozygote fold (FdFd) vertoont ook een overgroei van kraakbeen op de beenderen. De beentjes van de staart worden dikker, de staart wordt stijver. Ook de beenderen van de pootjes worden dikker en het resultaat is een behoorlijk kreupele kat. Fold x Fold is dus een combinatie die dient vermeden te worden! Spijtig genoeg zijn er ook bij heterozygote Folds dergelijke verschijnselen waargenomen.

Manx (M)

De Manx heeft door een dominant gen M, een ontbrekende of sterk ingekorte staart. Spijtig genoeg kunnen problemen met het bekken en/of de onderrug het leven van de kat minder comfortabel maken. Alle Manxen zijn heterozygoot (Mm), aangezien de homozygote (MM) prenataal dodelijk is (de kittens sterven af in de baarmoeder).

Japanse Bobtail

Een ander ras met een zeer korte staart is de Japanse Bobtail. Deze variant zou geen verdere problemen vertonen met de onderrug of het bekken. Er wordt verondersteld dat de korte staart al een incompleet dominant gen vererft.

Er is een hele reeks ongewenste afwijkingen bij katten die we eigenlijk liever niet zien voorkomen. Het fokken met dieren die deze afwijkingen hebben of die kittens voortbrengen met afwijkingen, is dan ook sterk af te raden.

Voorbeelden hiervan zijn knikstaarten (niet de knikstaarten die te wijten zijn aan een ongeluk), over- of onderbeet, een aantal oogproblemen (b.v. PRA), doofheid (vooral bij witte katten), kittens met platte borsten, hazenlippen of open gehemelte, HCM, PKD, patella luxatie, polydactyly (meer tenen per poot), scheel kijken, enzoverder….

Deze lijst is bijna eindeloos, en het voorkomen van een kitten in een nest welk afwijkt van de rest kan een ongelukje zijn. Relatief veel voorkomen van afwijkingen in nesten is niet normaal, niet bevorderlijk voor de dieren zelf, voor het ras en voor de toekomstige eigenaars van de kat(ten).

Als verantwoorde fokkers is het ons doel en onze taak zo gezond mogelijke katten op de wereld te zetten, ambassadeurs van het ras dat we fokken en zo vrij mogelijk van afwijkingen. Sommige van de afwijkingen kunnen door de fokker zelf, een dierenarts of specialist vastgesteld worden (een knikstaart of schele kat kunnen we zelf vaststellen, patella luxatie of PKD vaststellen is een taak voor de dierenarts en zaken als HCM, doofheid, … is een taak voor specialisten). Ook worden meer en meer DNA testen mogelijk om erfelijke afwijkingen op te sporen. Dit staat nog in de kinderschoenen.

Spijtig genoeg is het opzettelijk niet fokken met dieren die een afwijking vertonen niet alleen een zaak van de fokkers, maar ook van een vraag van kopers naar “rare” beesten. Hier ligt dan wel de verantwoordelijkheid bij de fokker of winstbejag belangrijker is dan het welzijn van de dieren die hij fokt.